Wat is autonomie?
Autonomie is het gevoel dat je zelf aan het stuur zit. Dat je doet wat je doet omdat het bij je past, ook als je ervoor kiest om de regels te volgen. Het gaat dus niet om het ontbreken van grenzen, maar om het gevoel dat je zelf de regie hebt.
Bij kinderen draait het om hoeveel vrijheid ze zélf ervaren , niet om hoeveel ruimte jij denkt te geven. Die twee kunnen verschillen. Een kind kan veel keuzevrijheid krijgen en zich tóch niet vrij voelen. Daarom heet het beleefde autonomie, het gaat om wat het kind ervaart.
Wat is autonomie verlenen?
Autonomie verlenen betekent dat jij als leerkracht je kunt verplaatsen in het kind, zijn gevoelens erkent, en van daaruit betekenisvolle keuzes aanbiedt. Betekenisvol wil zeggen: keuzes die aansluiten bij wat het kind belangrijk vindt en beleeft.
Het is nadrukkelijk niet hetzelfde als loslaten. Je biedt juist structuur, structuur die ruimte geeft in plaats van dwingt. Je laat het kind niet zwemmen zonder houvast, en je dwingt het ook niet één kant op.
Dat betekent dat het verlenen van autonomie er voor elk kind anders uit kan zien. Twee kinderen kunnen immers dezelfde opdracht krijgen, maar die compleet verschillend beleven. Recht doen aan diversiteit begint dus bij goed kijken naar wat een kind op dat moment nodig heeft. Je zoekt steeds de balans daartussen en biedt ondersteuning op maat.
Scaffolding is een manier van het verlenen van autonomie. Het is een ondersteuning met een heldere structuur die samen met de leerling wordt opgebouwd. Deze kenmerkt zich met name door het stellen van een goede diagnose door middel van het stellen van vragen en het geven van denktijd. Daarna wordt de diagnose gecheckt en ondersteuning op maat gegeven, daarna wordt de steun weer afgebouwd.
De 3e stap waarin ondersteuning op maat wordt gegeven kent 6 strategieën die het autonomieondersteunend leerkrachtgedrag vormgeven.
Werven: Maak enthousiast: toon interesse, geef een betekenisvolle opdracht en leg uit waarom die ertoe doet.
Kaderen: Maak de taak behapbaar: vereenvoudig, kort in of maak de structuur zichtbaar met een stappenplan.
Richting bieden: Wijs de weg: laat de volgende stap zien, stel open vragen en daag uit als de leerling het aankan.
Kritieke punten benoemen: Benoem wat telt: het punt dat tot succes leidt of juist het struikelblok, het liefst via open vragen.
Frustratie reguleren: Neem frustratie niet weg, maar maak het hanteerbaar. Erken het gevoel en geef bijvoorbeeld meer tijd.
Modellen: Doe een stukje voor en denk hardop, ook over hoe je zelf met tegenslag omgaat. Laat de leerling het daarna zelf proberen en bouw je steun af.
Door leerlingen op deze manier te ondersteunen zien we een de beweging van de motivatie van gecontroleerd naar autonoom.
Gevolgen van het verlenen van autonomie
Leerlingen aan wie autonomie wordt verleend laten meer betrokkenheid zien, meer initiatief en meer actief denken. Ze komen zelf met oplossingen en verwoorden hun eigen denkproces. Ze hebben meer plezier in leren en laten meer doorzettingsvermogen zien.
Leerkrachten ervaren meer rijke interactie, meer inzicht in het denken van de leerlingen en een sterkere pedagogische relatie. Er is minder sprake van duwen en trekken aan leerlingen en minder frustratiegedrag. Door de strategieën kunnen leraren zich competenter voelen in de pedagogische relatie. Hierdoor ervaren zij ook meer werkplezier.
In de klas als geheel zie je minder weerstand en strijd, meer zelforganisatie en een positievere leerhouding.
Er is met name gebruik gemaakt van de literatuur van Deci&Ryan, Maria Stefanou en Reeve/Vansteenkiste en Steenbeek en Van Geert . Helemaal de diepte in? Lees hier mijn thesis.