Op deze pagina wordt de opstelling uiteengezet die inzicht geeft over vanuit welke houding je autonomie verleent en welke plek scaffolding daarin heeft. Scaffolding als onderdeel van het verlenen van autonomie begrijp je niet alleen met je hoofd. Je voelt het in je lijf, in hoe je staat, hoe dichtbij je bent, wat je wel en niet zegt. Deze oefening maakt ten eerste autonomie verlenen zichtbaar en voelbaar, vandaaruit is scaffolding mogelijk.
Autonomie ondersteunen begint bij het innemen van het perspectief van de ander (Reeve, 2009; Aelterman et al., 2019). Je gaat letterlijk in de schoenen van de leerling staan. Je ervaart wat verschillende posities van de leerkracht met je doen. Zo wordt het verlenen van autonomie en de rol van scaffolding daarin voelbaar. Enkele leraren gaven aan dat bij deze oefening het kwartje echt landde.
Eén persoon is de leerling. Daaromheen nemen leerkrachten een postie in. Elke positie heeft zijn voor en nadelen. De posities zie je in het schema hiernaast. De leerkrachten willen graag dat de leerling in beweging komt. De leerling weet niet wat het doel is. Een doel in de oefening kan bijvoorbeeld zijn: 4 stappen vooruit, 2 stappen opzij. De begeleider weet het wel, maar elke positie heeft andere regels. Deze oefening wordt herhaaldelijk met een deel van het team gespeeld, afhankelijk van wat de trainer opmerkt en wat er nodig blijkt.
Tegenover: Je staat in de weg. Duidelijk, maar dwingend. (je weet het doel, maar mag alleen nee zeggen)
Naast: Je sluit aan, maar mist richting. (je mag alles zeggen, maar je weet het doel niet)
Achter: Je bent bemoedigend óf je duwt. De leerling kan alle kanten op. Voor de leerling chaotisch. (je weet het doel, maar mag alleen ja zeggen)
Ver voor, rug naar de leerling: Je weet waar het naartoe moet, maar de leerling is je kwijt. En jij de leerling ook. (je mag alles zeggen, maar je niet omdraaien)
Als ik de leerkrachten zou vragen waar ze het liefst zouden staan om de leerling in beweging te zetten gaat ze bijna allemaal in de ideale positie staan. De flankhoek. Dan sta je net schuin voor de leerling, niet recht tegenover, niet naast, niet achter, dan ontstaat er iets anders. Je ziet de leerling én de richting. Je bent nabij zonder in de weg te staan. Je kunt bewegen: even naast, even achter, en terugkeren. Je ondersteunt flexibel.
Vanuit de flankhoek zet je de strategieën van scaffolding in om samen met de leerling in beweging te komen. Waarbij je voortdurend afstemt op de taak en de leerling. Juist vanuit die flankhoek kan dat goed. Ik gebruik hier vaak het beeld van schapenhoeden voor. Schapen bewegen als de ruimte hen daartoe uitnodigt. Oefen je druk uit, dan ontstaat er stilstand of vlucht. Begeleiden begint bij waar je staat, letterlijk en figuurlijk.
Werven: kom mee, iets interessants, we gaan kijken!
Kaderen: hier hoeven we niet heen, dit is het pad.
Richting bieden: daar gaan we naartoe, daar is ons doel
Kritieke punten benoemen: pas op voor die steen. Of: dit is het belangrijkste, let op.
Frustratie reguleren: ik snap je. Dichtbij zijn, perspectief innemen.
Modellen: kijk, zo gaat het eerste stapje.
Zo komt de leerling in beweging. Daardoor schuift de leerling van gecontroleerde naar autonome motivatie.
Dit beeld heeft een grens. Dat zal elk beeld hebben. Want een mens is autonoom, dat maakt menszijn ook zo bijzonder. Autonomie verlenen betekent dat je ruimte voor keuzes bewust creëert. Dat leer je niet uit een boek, dat leer je door het samen met de leerling te doen en ook zelf in beweging te komen.